TiNCK sprak met Rik Ghesquiere
Interview - 22/06/2006

Ter gelegenheid van de recente vernieuwing van het Maria-Hendrikapark in Oostende - in de volksmond 'het bosje' - nodigt Toerisme Oostende meestercomponist Händel uit voor een avond onovertroffen classics.

West-Vlaming Rik Ghesquiere dirigeert er op 1 juli Nuove Musiche, het symfonisch orkest dat in 1996 de muziek realiseerde van de bekroonde film Le Huitième Jour (Jaco Van Dormael).

TiNCK had een uitvoerig gesprek met deze rasmuzikant. Over zijn opleiding en muzikale voorbeelden, zijn werk als trompettist bij het Vlaams Radio Orkest en zijn ambities als dirigent. Een uitvoerig portret.

Rik, je roots, ook muzikaal, liggen in West-Vlaanderen. Ben je, zoals velen, eerst naar de plaatselijke muziekacademie geweest?

Rik: Inderdaad, ik liep muziekschool in Langemark, een afdeling van de Ieperse academie. Bijgevolg was het aanbod zeer beperkt. Je kon trompet leren spelen, piano, dwarsfluit, klarinet en dat was het zo ongeveer.

Wanneer heb je besloten om je brood te gaan verdienen met muziek?

Rik: Dat is een langzaam proces geweest. Een paar elementen hebben die beslissing wel sterk beïnvloed. Zo was er de appreciatie die ik kreeg vanuit de academie. Ik herinner mij nog dat ik als jonge snaak van Paul Breyne, toen nog leidend figuur in de lokale Ieperse politiek, een prijs kreeg uitgereikt. Daarnaast denk ik dat de microbe mij stevig te pakken kreeg in de fanfare. “In ’t muziek van Langemark”, zoals ze hier zeggen. Ik kreeg van ’t muziek een splinternieuwe trompet. Ik speelde voorheen op een bugel van mijn vader. Die was tot op de draad versleten. Ik herinner me zelfs ooit een examen te hebben gespeeld met plakband op de trompet om een gat te dichten. En dan krijg je als dertienjarige een werkelijk schitterend instrument, gratis, als je in ’t muziek gaat spelen! Dat gaf mij een enorme kick. Ik zat toen in het college in Roeselare (nvdr: Klein Seminarie) en was intern. Het was voor mij een plezier om op die splinternieuwe, blinkende trompet iedere avond een uur te oefenen. Ik trok mij terug in een klas of in de kapel met een vriend organist en wij speelden muziek onder ons twee. Die vriend is trouwens ondertussen ook professioneel muzikant geworden. Al die elementen smeden langzaam je passie voor de muziek. Ik heb dan in het vierde jaar van de humaniora beslist om mijn brood te gaan verdienen met muziek.

Toen reeds?

Rik: Ja. Mijn laatste twee jaren van de humaniora studeerde ik aan het Lemmensinstituut (nvdr: Kunsthumaniora) en daarna heb ik gewoon de logische stap naar het hoger muziekonderwijs gezet. Hierbij heeft de dirigent van de fanfare van Passendale, Gilbert Hinnekint, een grote rol gespeeld. Ik speelde toen ook in die fanfare en Gilbert was een laureaat van het Lemmensinstituut. Als leraar in de normaalschool in Tielt kon hij enorm goed jonge mensen motiveren. Hij gaf mij ook de kans heel wat solo’s te spelen en zo mijn talenten te ontdekken.

Je werd als het ware door je omgeving in die richting gestuurd.

Rik: Zeker, want Gilbert wees mij erop dat als ik verder wilde studeren het Lemmensinstituut dé school bij uitstek was. Ik heb in 1985 mijn laureaatdiploma gehaald en ik was eigenlijk de eerste trompettist die ooit in het Lemmens is afgestudeerd. Het Lemmens was vroeger een orgelschool maar is ondertussen enorm geëvolueerd. Tijdens mijn laatste jaar heb ik aan meerdere externe examens deelgenomen. Ik was tweede bij de Filharmonie maar er was maar één plaats vacant. Bij de VRT had ik meer geluk. Ik wist bijgevolg al in februari dat ik, indien ik zou slagen in juni, onmiddellijk aan de slag kon.

Door de publicitaire impact, werd het voor ons muzikanten duidelijk dat ‘The Aviator’ zeer waardevol was voor het VRO.

Van de schoolbanken onmiddellijk naar het orkest dat ondertussen het Vlaams Radio Orkest heet (voorheen VRT Filharmonisch Orkest)?

Rik: Inderdaad, van het Lemmens onmiddellijk naar het Filharmonisch Orkest van de VRT. Ik herinner me zeer goed het eerste werk dat ik moest spelen: ‘Also sprach Zarathustra’ van Richard Strauss. Je weet wel, met die waanzinnig bekende ouverture (zingt de eerste noten). De opening kent iedereen maar weinig mensen weten dat er nog drie kwartier gigantisch mooie muziek volgt. Het was voor mij een openbaring om onmiddellijk in zo’n groot orkest te mogen spelen.

Een goede leerschool?

Rik: Jazeker. Het is niet omdat je van de universiteit komt, dat je kan meedraaien op de arbeidsmarkt. Ik moet zeggen, de eerste jaren moet je enorm investeren in jezelf. Het is stress tot en met want je gaat met het orkest live in de ether. In mijn beginperiode moest ik mij dan ook zeer intens voorbereiden op een optreden. Momenteel kan ik teren op mijn twintig jaar ervaring. Maar daarmee kwam ook de gewenning. Nu heb ik zo iets van: “Ik hou het voor bekeken”. Ik heb alles kunnen doen met de trompet wat ik graag had gedaan. Dat is het voordeel van het VRO. Het is een orkest dat heel veel repertoire doet, zeer afwisselend zodat ik in die twintig jaar alles de revue heb zien passeren.

Was je ook betrokken bij de opnames voor The Aviator?

Rik: Neen, die productie heb ik niet meegemaakt. Voor het orkest was dat een belangrijke productie maar voor muzikanten heeft dat eigenlijk een bijsmaakje. Muzikaal gezien kan het VRO veel prestigieuzere zaken aan dan zo’n soundtrack. Natuurlijk was het voor het VRO het ideale middel om in de belangstelling te komen. En daar leent zo’n Scorcese-film zich uitstekend toe. De publiciteit die zo’n project oplevert, is waanzinnig. Tot in Amerika kent men nu het VRO. De opnames zelf waren voor ons dagelijkse kost. We vonden zelfs dat men wat overdreven ingewikkeld deed: waarom moest er een rechtstreekse satelietverbinding zijn met Amerika om hier opnames te maken? Dat maakt de zaak spectaculairder maar het dient het resultaat niet. Door de publicitaire impact, werd het voor ons muzikanten duidelijk dat ‘The Aviator’ zeer waardevol was voor het VRO.

"Marketing en entourage zijn ook belangrijk. Als jonge dirigent merk ik spijtig genoeg dat die elementen soms belangrijker zijn dan het dirigeren zelf."

Wat was de prikkel om je dan te heroriënteren naar het dirigentschap toe.

Rik: De oorsprong ligt ook hier weer bij de amateurwereld. Ik ben toevallig een fanfare en een harmonie gaan dirigeren . Zo ontdekte ik een extra dimensie. Het leven als trompettist is redelijk eenzaam. Je bereidt je in je eentje voor, je oefent uren en gaat dan als een voetballer je match spelen. Ik heb dat twintig jaar zo ervaren. Door het dirigeren, kwam er een extra aspect bij. Een dirigent moet niet alleen het muzikale in zich hebben, hij moet ook met een groep mensen werken. En dat heb ik ervaren als een grote uitdaging. Die veredelde hobby is uiteindelijk een passie geworden. In die mate zelfs dat ik in 1997 besloten heb om in het conservatorium orkestdirectie te studeren.

Hoe zie je je rol als dirigent?

Rik: Weet je, wanneer je als solist met het orkest een goed concert hebt gespeeld, dan put je daaruit de kracht om verder te investeren in jezelf. Het gevoel om samen iets bereikt te hebben als orkest, daar heb je als dirigent een enorme impact op. Sterker nog, je bepaalt dat in grote mate! Als dirigent ben je de coach, zeg maar de trainer van het team.

Is motiveren dan de grote toegevoegde waarde van een dirigent?

Rik: Absoluut. Als wij bij het VRO met een gastdirigent werken, weten wij al na pakweg 10 minuten (of soms minder) wat voor vlees we in de kuip hebben. Soms denk je: “Dit wordt een schitterende productie en we gaan ervoor.” Soms, zelfs bij grotere namen, bekruipt je een ander gevoel… “Ah, volgende week hebben we terug een andere dirigent… en dit nemen we er dan even tussendoor”

Wat maakt het onderscheid tussen een goede en een topdirigent? Wat hebben een von Karayan, een Abbado meer?

Rik: Dat is moeilijk te verwoorden. Marketing en entourage zijn ook belangrijk. Als jonge dirigent merk ik spijtig genoeg dat die elementen soms belangrijker zijn dan het dirigeren zelf.

Je moet kansen krijgen, jezelf verkocht krijgen. In België is er op dat vlak nog veel werk aan de winkel. In het buitenland heb je impresariaten die erg op die markt mikken. Misschien is ons landje daar te klein voor…

Een te kleine afzetmarkt om door te breken?

Rik: Inderdaad. Daarom zou ik graag als volgende stap in mijn loopbaan als gastdirigent voor orkesten werken. Daarbij denk ik onmiddellijk aan het buitenland want in België zijn er maar een vijftal orkesten waar ik dat zou kunnen doen. Stel dat je in de ideale situatie één keer per seizoen een productie zou kunnen leiden in België –wat bijna utopisch is- dan heb je vijf concerten. Daarvan kan je niet leven. Om als beroepsdirigent te kunnen functioneren, ben je bijna verplicht om naar het buitenland te trekken. Dat internationale circuit bestaat maar daarvoor moet je terecht kunnen bij een impresariaat dat zijn dirigenten uitstuurt.

Hoe ziet het productieproces voor een gastdirigent er dan uit?

Rik: De gastdirigent komt op maandag toe, doet zijn ding en na het concert is hij terug vertrokken. Maar over zijn impact, moet ik toch voorzichtig zijn. Hij kan in ieder geval het niveau van het stuk optillen maar hij blijft zitten met de beperkingen van het orkest. Als je een slechte trompettist hebt, dan kan zelfs de grootste dirigent dat niet verbeteren. Maar de bezieling die de man uitstraalt, zal zich ook vertalen in het resultaat van de productie. Daarom staat iemand als Valery Gergiev het Rotterdams Filharmonisch Orkest aan de top van de wereld. Soms is hij niet zo accuraat in het aangeven van bepaalde dingen maar hij is een bezieler tot en met. Je wordt bijna meegezogen door zijn uitstraling. Hij bezielt je om jezelf te overtreffen.

Je moet als dirigent een grote muzikale persoonlijkheid zijn?

Rik: Jazeker. Nog een voorbeeld. Barbenboim heeft onlangs muzikanten uit Israël en Palestina samen gebracht om muziek te maken. Hij werkt op die manier mee aan de vrede in de wereld. Van het concert hebben ze op het journaal twee stukken laten zien. Enerzijds was er het begin van de vijfde symfonie van Beethoven. (zingt de aanhef) Voor een dirigent is de opening van de vijfde een nachtmerrie. Het is enorm moeilijk om dat correct aan te geven. Ook de drie slotakkoorden heeft men getoond op TV. Voor mij was dat een belangrijke les in orkestdirectie. Eén: hoe die man dat orkest op gang trekt bij die beroemde opening van Beethoven. Dat was gewoon magisch. En dan de drie laatste noten, gewoon die (heftig) pa-pa-pa!) met honderd mensen samen. Wat een ongelofelijke precisie ging daar van uit . En zoveel energie! Dat is het magische van een goed orkest en een grootse dirigent. Alle grote dirigenten hebben dat in zich en het is voor mij een plezier om zo’n mensen aan het werk te zien.

Mijn droom is om binnen afzienbare tijd in het professionele dirigentencircuit te kunnen meedraaien.

Van Beethoven naar het Eroica –ensemble is maar een kleine stap. Je bent ook buiten het VRO heel actief.

Rik: Ik heb een professioneel kamerensemble, het Eroica Ensemble. Wij werken vanuit Mechelen, de Beethoven-stad. Ik heb er enkele mensen uit de culturele, politiek en economische wereld kunnen motiveren om een Raad van Bestuur te vormen en projectmatig een orkest samen te stellen, genoemd naar de derde symfonie van Beethoven. Het is eigenlijk ook wel een heroïsche uitdaging om zo’n orkest in leven te houden. De spirit is die van Beethoven: de derde symfonie is het maximum wat wij aankunnen. Je hebt dan een bezetting van een veertigtal muzikanten en dan wordt zo’n productie al behoorlijk duur. Met het Eroica-ensemble proberen we projecten uit te werken zoals ‘Japanse impressies’ en de voorstelling rond Mozart met verschillende solisten zoals Ann Boeykens, dochter van Walter.

Het Helicante-koor uit Meise heeft mij verzocht de leiding over te nemen toen hun dirigent er abrupt de brui aan gaf. We hadden elkaar leren kennen toen Helicanti participeerde in een uitvoering van ‘Carmina Burana’. We vonden elkaar op het juiste moment. Ik overwoog reeds enige tijd om met een kamerkoor te werken. Dat biedt immers het Eroica Ensemble de mogelijkheid om een uitgebreider repertoire aan te pakken zoals een mis van Mozart aan of een oratorium van Bach of Händel. Bovendien ontstaat er ook als dirigent een extra markt die je kunt bespelen. In Vlaanderen zijn immers rond de kerst- en paasperiode dergelijke concerten erg in trek. Helicante betekent ‘naar de zon gericht’ en ik moet zeggen, na drie repetities was ik uitermate optimistisch gestemd over de mogelijkheden van het kamerkoor.

Je bent ook met jongeren actief.

Rik: Ik heb daarnaast nog de leiding over het Limburgs Orkest Jeugd en Muziek. Het orkest is gevestigd in Hasselt en verzamelt de beste Limburgse muzikale talenten tussen 15 en 25 jaar. Dat is voor mij een ideale manier mijn eigen repertoire verder uit te breiden. Bovendien geeft dit orkest mij een enorme energie om muziek te maken want het is een plezier om met jongeren te werken. Ik vind dat West-Vlaanderen en Limburg wel veel met elkaar gemeen hebben. De gedrevenheid en de ernst van de West-Vlaming vind ik ook terug in Limburg. Misschien komt dat omdat we beiden buiten het centrum van het land liggen en harder moeten werken om ons waar te maken. Ikzelf ben in Vlaams Brabant gaan wonen omdat ik voor mijn beroep steeds in Brussel moest zijn en ben dus goed geplaatst om te vergelijken. Volgens mij hebben West-Vlaanderen en Limburg een mooie muzikale toekomst. Er zijn immers enorm veel impulsen vanuit de basis. Het wordt niet opgelegd maar komt vanuit de basis en juist dat biedt mooie perspectieven.

Je leidt ook het Roosdaals Symfonie Orkest. Hoe komt Vlaanderen uit een muzikale vergelijking met Nederland?

Rik: Er is nog wat werk aan de winkel. Zo’n symfonisch orkest van amateurs kent in Vlaanderen zijn gelijke niet. Bij ons heerst dan weer een harmonie en fanfare cultuur. Een symfonisch orkest voor amateurs zie je in Vlaanderen zelden. Dat is wellicht de reden waarom er geen piramidestructuur in ons orkestenlandschap zit. Zo vind je in onze professionele orkesten bijna geen strijkers van eigen bodem. Ze komen uit Rusland, Polen of andere Oostbloklanden. Die landen leveren nu eenmaal betere strijkers af. Misschien komt het omdat er weinig kansen zijn om op amateurniveau in een orkest te spelen als violist of cellist. Ons bloeiende harmonie- en fanfare leven verklaart dan misschien wel waarom er in onze orkesten wel Vlaamse blazers zitten. In Nederland heb je honderden amateur-orkestjes waar een knaap van 14 kan samen viool spelen met zijn opa van 65. Je hebt dit bij ons in de fanfares. Zo creëer je een perfecte piramide om door te stoten naar het hoogste niveau. Iemand met een beetje niveau wil in Nederland in hét Concertgebouworkest terecht komen want dat is wereldtop. Zo krijg je een enorm draagvlak voor het orkest wat bij ons jammer genoeg het geval niet is.

Is The Art of Brass dan ook een ensemble dat leeft van de projecten?

Rik: Jawel, want tegenwoordig is alles projectmatig geworden.

Hoe combineer je dit allemaal met je vast engagement bij de VRO?

Rik: Ik probeer in het VRO mijn rol als trompettist te beperken. In overleg met de directie van het VRO mag ik verlof zonder wedde nemen, wanneer ik als dirigent aan de slag kan. Mijn droom is om binnen afzienbare tijd in het professionele dirigentencircuit te kunnen meedraaien. Laten we hopen die droom ooit te kunnen realiseren.

We wensen je het alvast toe.

Vlaanderen en Limburg een mooie muzikale toekomst. Er zijn immers enorm veel impulsen vanuit de basis.

TiNCK 22/06/2006
Tekst: Jean-Pierre Prinzie
Foto’s: Marcel Van Coile

Deel dit met anderen

Share/Save/Bookmark

Copyright 2007 TiNCK en Provinciebestuur West-Vlaanderen.
Deze pagina is gegenereerd op 09/09/2010.
Het origineel adres van de pagina is /NewsItem.aspx.