Op het einde van de zestiende eeuw ontstond de operain Firenze. Italië was de ideale voedingsbodem voor opera. In de Middeleeuwen voerde men Kerkelijke spelen op waarin muziek reeds heel belangrijk was. In die middeleeuwse spelen ontbrak het solistenoptreden wat karakteristiek is voor opera.
De eerste opera's waren geschreven in een "stilo rappresentativo" (nu noemen wij dit recitatief).
De muziek was er om de woorden te ondersteunen. Men zoekt naar een balans tussen muziek en woord.
De eerste opera's waren reconstructies van griekse drama's. Het zal zelfs tweehonderd jaar duren vooraleer andere dan griekse of romeinse oudheidfiguren op het opera-toneel verschijnen.
De eerste opera die de tand des tijds overleeft heeft is "ORFEO" van Cl. MONTEVERDI uit 1608. In Italië werd de eerste publieke Opera-schouwburg in 1637 geopend. In Frankrijk gaf de Italiaan LULLY een geheel eigen stijl aan de OPERA. De specifiek franse OPERA verschilt van zijn italiaanse broer in de grotere rol die toebedeeld werd aan de dans. Na LULLY zet Jean-Philippe RAMEAU de franse traditie van OPERA SERIA voort. Ook de duitser C.W.von GLUCK drukt zijn stempel op de opera-evolutie.
Een (onvolledig) overzicht door de eeuwen heen
Opera seria in de 17de eeuw : Monteverdi (Orfeo, L'incoronazione di Poppea, Il ritorno d'Ulisse in patria), Cavalli (Giasome en Serse), Cesti (Il pomo d'oro), Alessandro Scarlatti, C.W. von Glück en Georg Friedrich Händel (heeft verschillende opera's gecomponeerd : w.o Teseo,Il pastor fido, Giulio Cesare in Egitto, Rodelinda, Alcina, Serse).
Opera buffa in de 17de eeuw en 18de eeuw: Nicola Logroscino, G.B. Pergolesi (La serva padrona).
Opera in Frankrijk in de 17de en 18de eeuw : J.PH. Rameau (Platée, Hippolyte et Aricie, Castor et Pollux e.a.), J.B. Lully (Alceste, Armide e.a.), M.A.Charpentier (Médée, David et Jonathas).
Opera in Duitsland in de 17de en 18de eeuw (Singspiel) : H.Schütz (Dafne), C.W.von Glück (Orfeo ed Euridice, Iphigénie en Aulide, e.a.), W.A. Mozart (Die Entfürung aus dem serail, Le nozze di Figaro, Don Giovanni e.a.), J. Haydn (L'infédelta delusa, Armida, e.a.).
Opera in Italië in de 19de eeuw : G. Rossini (L'Italiana in Algeri, Il barbière de Siviglia, La Cenerentola, Wilhelm Tell e.a.),V. Bellini (Norma, I Puritani, La sonnambula, e.a.), G. Donizetti (L'Elisir d'amore,Lucrezia Borgia, Lucia di Lammermoor e.a.), G. Verdi (Nabucco, Ernani, Macbeth, La Traviata e.a.), Boito (Mefistofele), Amilcare Ponchelli (La Gioconda) en de braziliaan Gomes.
Opera buiten Italië in de 19de eeuw : Giacomo Meyerbeer (Les Huguenots, L'Africaine), R. Wagner (Der Ring des Nibelungen, Rienzi, Tannhäuser, Tristan und Isolde e.a.), Auber (La Muette de Portici), Boieldieu (La Dame Blanche), Adam(Le postillon de Longjumeau), Offenbach (Les contes d'Hoffmann), G. Bizet (Carmen, Les Pêcheurs de perles e.a .), J. Massenet (Manon, Werther, Thaïs e.a.), Ch. Gounod (Faust, Roméo et Juliette), L. Delibes (Lakmé), Karl Ditters von Dittersdorf (Doktor und Apotheker), C.M. von Weber (Der Freischütz, Oberon e.a.), Richard Strauss (Salomé, Elektra, Der Rosenkavalier, Ariadne auf Naxos e.a .), Albert Lortzing (Zar und Zimmermann, Undine e.a.), Otto Nicolai (Die lustigen weiber von Windsor), Friedrich Von Flotow (Martha), Heinrich Marschner, Peter Cornelius (Der Barbier von Bagdad), Engelbert Humperdinck (Hänsel und Gretel, Die Königskinder) en Hugo Wolf (Der Corregidor).
Opera in de 20ste eeuw : (bij de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw) het verisme : Pietro Mascagni (Cavalleria Rusticana,Lodoletta e.a.), Ruggiero Leoncavallo (La Bohème, Zaza) , Spinelli, E. d'Albert (Die Toten Augen), Italo Montemezzi (L'amore dei tre Re), Riccardo Zandonai (Franscesca Da Rimini)
20ste eeuw : J. Massenet (Manon e.a.), Cl. Debussy (Pelléas et Mélisande), Giacomo Puccini (La bohème, Madama Butterfly, Tosca e.a.), Umberto Giordano (Andrea Chenier e.a.), Ermanno Wolf-Ferrari (Le donne curiose, Il segreto di Susanna e.a.), Luigi Dallapiccola (Il Prigioniero), A. Schönberg (Moses und Aron), Luigi Nono (Intolleranza), Bruno Maderna, Luciano Berio (Passaggio, Opera), Max von Schillings, Hans Pfitzner (Palestrina), E.W. Korngold (Die tote stadt), Alban Berg (Lulu), P. Hindemith (Mathis der Maler), C. Orff (Der Mond, Die Kluge), Franz Schreker (Der ferne Klang), Ernst Krenek (Jonny spielt auf), Hans Werner Henze (Boulevard Solitude e.a.), Giselher Klebe, Aribert Reimann, Wolfgang Rhim, Bernd Aloïs Zimmermann, Udo Zimmermann, Gottfried von Einem (Dantons Tod, Der Prozess).
En in de overige landen
In Rusland was de opera - als overal elders - eerst italiaanse import geweest. M. Glinka (Iwan Soesanin, Roeslan en Ludmila) wordt beschouwd als de stichter van de Russische nationale schoo. Zowel Glinka als Moessorgski (Chowansjtsjina), Borodin, P.I. Tsjaikovski (Eugen Onegin)en Rimski-Korsakow zetten in de 19de eeuw de russische opera op het internationale opera-repertoire. Het zou echter tot in de twintigste eeuw duren vooraleer deze opera's de weg buiten Rusland zouden vinden. Van de twintigste-eeuwers heeft Igor Strawinsky zijn opera's buiten Rusland geschreven (Oedipus Rex, The Rake's Progress, Le Rossignol). Sergei Prokofjew volgde de lijn van zijn voorgangers met meerdere waardevolle aanwinsten. Bij de 20ste eeuwse russische componisten onthouden we vooral Sjostakowitsj.
De tsjechische nationale school begint pas bij Smetana en komt - evenals de russische - reeds onmiddellijk tot bloei. Dvorak en Janacek zijn de belangrijkste componisten. In Polen vindt alleen Krysztof Penderecki de internationale bühne met "Die Teufel von Loudun" en "Die Schwarze Maske".
In Spanje kreeg de opera buffa de overhand met een eigen noperettestijl "Zarzuela". Het genre bleef echter beperkt tot het Iberisch schiereiland voor opvoeringen. Alleen Albéniz, Granados en Manuel de Falla wisten een of twee opera's te schrijven.
Bij Amerika onthouden we vooral Gershwins "Porgy and Bess", Gian-Carlo Menotti met "Amélia al Ballo" en "The Consul", Samuël Barber met "Vanessa" "Antony and Cleopatra", Philip Glass met "Einstein on the beach" "Satyagraha" "Akhnaten" en Leonard Bernstein met "A quiet place".
HV