Mekhitar Garabedian werd in 1977 in Syrië geboren. Zijn grootouders waren gevlucht voor de Turkse genocide in Armenië en aan het begin van de jaren tachtig emigreerden zijn ouders vanuit het Libanese oorlogsgebied naar België.
Het werk van Garabedian handelt dan ook over migratie, geheugen, geschiedenis, identiteit en taal. De dilemma's en trauma's van de familiegeschiedenis alsook zijn 'non-positie' als tweede en derde generatiemigrant, vertaalt hij op een beklemmende en intrigerende manier in een aantal nieuwe foto-installaties en video- en geluidswerken.
Deze tentoonstelling is een unieke gelegenheid om te ontdekken hoe er vanuit een allochtoon artistiek denken omgegaan wordt met zowel de Westerse cultuurgeschiedenis als met een dagelijkse maatschappelijke realiteit.
Kurt Vanbelleghem, curator van deze tentoonstelling, had een diepgaand gesprek met deze jonge Belgische kunstenaar over werk, identiteit, (moeder)taal, het geheugen, Acconci en Baudelaire.
TiNCK laat u meelezen.
KV: Verschillende van jouw werken vertrekken vanuit zeer persoonlijke referenties waarbij je positie als migrant duidelijk centraal staat. Hoe ben je eigenlijk hier in België terecht gekomen?
MG: Mijn vader is in Haleb, Syrië, geboren en mijn moeder in Beiroet, Libanon. Zij zijn opgegroeid in de Armeense gemeenschappen van Haleb en Beiroet. De wijk Bourj Hammoud in Beiroet wordt ook wel Klein-Armenië genoemd. Mijn grootouders waren in 1915 respectievelijk naar beide landen gemigreerd; gevlucht voor de Turkse wreedheden. In heel het Midden Oosten vind je Armeense gemeenschappen met hun taal en hun religie middenin diverse moslimgemeenschappen. Door de burgeroorlog in Libanon en de onstabiliteit die dit met zich bracht in het Midden-Oosten zijn mijn ouders ten slotte naar Europa geëmigreerd en zijn ze veeleer per toeval in België terecht gekomen.
KV: De Armeense geschiedenis en cultuur hebben nog steeds een enorme impact op jullie leven, zelfs al ben je er twee generaties van verwijderd?
MG: Ik ben opgevoed in de Armeens-orthodoxe traditie van mijn ouders. Armeniërs, en dat zie je overal ter wereld, zijn zich heel sterk bewust van de mogelijkheid tot uitbreiding van hun eigen volk of het verdwijnen van hun geschiedenis, taal, cultuur ... Omdat de hele wereld onze geschiedenis vergeten lijkt te zijn, wordt dit gevoel nog meer versterkt. Armeniërs prenten dat bewustzijn bij wijze van spreken ook bij hun kinderen in. “Dit mag je niet vergeten. Dat is er gebeurd. Dat is je taal. Dit is onze geschiedenis.”
KV: In België kom je natuurlijk in een totaal ander systeem terecht, met andere gewoontes en een andere taal. Hier heb je ook je opleiding gekregen. Welke impact hebben die twee werelden op je vorming, je persoonlijkheid?
MG: Het begint al met je naam; die wordt in beide werelden anders uitgesproken. Tijdens het opgroeien pas je je aan, je creëert niet een andere persoonlijkheid, maar je gaat die bij wijze van spreken splitsen. Er is een constant heen en weer bewegen.
KV: Die dualiteit staat ook centraal in je artistieke activiteit.
MG: Het meest direct vind je een vertaling van die heen-en-weer-beweging in het werk “MG”. Ik sta voor een spiegel en spreek mijn naam alternerend uit in het Armeens en in het Nederlands. Ik kijk naar mezelf en verhuis constant van de ene context naar de andere. En een naam functioneert als een betekenaar, hij herbergt wie je bent voor anderen, hij representeert je identiteit.
KV: Het begrip identiteit interpreteer je vanuit een zeer persoonlijke situatie. Je verwijst naar je eigen familiegeschiedenis en je gebruikt die ook expliciet.
MG: In de video ‘M. Verdoncklaan’ toon ik iemand die familiefoto’s bekijkt, maar deze familiefoto’s functioneren op een abstracter niveau. Iedereen heeft thuis zo een stapeltje familiefoto’s liggen, maar het gaat over wat er ontbreekt wanneer je toekijkt hoe iemand zo een pakje foto’s doorbladert. Die foto's tonen zogenaamd een geschiedenis, onze geschiedenis, maar als je naar die beelden kijkt, dan merk je niets van de geschiedenis die we hebben meegemaakt. Dan zie je geen vernielde gebouwen in Beiroet, hoewel die er zijn en we daar geleefd hebben. Er zouden daar foto's van moeten zijn, maar die zaken zijn niet gefotografeerd. Wat overblijft, is een soort gelukkig, chronologisch verslag dat iedereen heeft. Mij interesseert net al wat er verdwenen is en hoe je toont dat er iets aan het verdwijnen is. Bij het bekijken van deze video vraagt men zich de hele tijd of we hier iets kunnen lezen, wat we te weten kunnen komen van die familie, maar eigenlijk ...
KV: In de video ‘Beirut 1963’ is er een soortgelijk uitgangspunt.
MG: In die video toon ik het verdwijnen letterlijk. Het beeld, een zeer traditioneel familieportret, dat verschijnt in zijn oorspronkelijke, verkreukte staat en dat overgaat naar een beeld dat gaaf is, dat technisch gezien hedendaags is. Ik toon dan wat er niet te zien is, wat er niet meer te zien is. Wat mij in dit proces ook interesseert is hoe het geheugen werkt, de manier waarop het geheugen zich analytisch vermeerdert, maar de aftakeling ervan gebeurt onregelmatig en lijkt geen wetten te volgen.
KV: Enkele van de werken die je tot nu toe hebt gemaakt zijn autoreferentieel. Zelfs al merk je dat niet onmiddellijk zoals bij de fotografische reeks “Happy when it rains”. Zijn die foto’s een reflectie op je eigen positie?
MG: Ze functioneren als zelfportretten. Het betreft een gevoel van het toebehoren aan geen enkele plaats, of van ergens tussenin, tussen twee posities, verschillende posities te zitten. Niet kunnen wortelen, niet kunnen aarden. Ook al leer je de nieuwe taal perfect en wordt je er virtuoos in, ook al hoor je geen enkele melodie meer van waar je afstamt, toch word je telkens geconfronteerd met dat anders zijn. Elke keer als ik mij introduceer als “Ik ben Mekhitar Garabedian”, blijf je eveneens behoren tot die andere wereld. Je kunt er onmogelijk aan ontsnappen. Die ervaring is zowel positief als negatief.
Daardoor zal mijn Armeense oorsprong zeker een uitgangspunt blijven, maar niet enkel gedefinieerd vanuit een migratiecontext. Het gaat ook over het besef dat in mij leeft - als tweede-, of in feite als derdegeneratiemigrant als je het bekijkt vanuit een Armeens perspectief - dat je eveneens verantwoordelijk gesteld kunt worden voor het verdwijnen van een geschiedenis, een cultuur en een taal. Hoe ga je om met dat gegeven. Dat is iets dat ik vaak in mijn werken vertaal. Ik voel mij net als een vampier die in een spiegel kijkt, er wordt niets gereflecteerd, je ziet niets, maar toch ben je er, je staat in die spiegel te kijken.
Het videowerk ‘Learning Piece’ toont deze dubbele houding die besloten ligt in mijn eigen positie. Enerzijds is het een herneming van een vroegere performance van de Amerikaanse kunstenaar Vito Acconci. Het is een stuk van 1970 waarbij Acconci zichzelf een lied aanleert op het podium. Steeds opnieuw herhaalt hij enkele strofen van het lied, via een taperecorder. Dit doet hij tot hij het hele lied uit zijn hoofd kent. In zekere zin ga ik dat werk mij toe-eigenen. Anderzijds wordt in ‘Learning Piece’ ook de impact van mijn verantwoordelijkheid ten opzichte van een Armeense geschiedenis vertolkt. In de herneming van Acconci’s performance sta ik samen met een andere man op scène, een oudere Armeense man die mij met passie een oud, Armeens, revolutionair lied aanleert. Het gaat over de genocide en het is die oudere man zijn heilige taak om mij niet alleen dit lied aan te leren, maar ook om mij bewust te maken van deze geschiedenis. Hij eist van me dat ik erin opga, hij gelooft stellig dat we op deze manier die feiten actueel houden, dat we zullen overleven. Zijn drijfveer kun je bijna angst noemen; ‘kijk een jonge Armeniër van de zoveelste generatie die dit lied niet kent, die zijn geschiedenis niet omarmt’. Wat mij bijzonder interesseert in dit leerproces is wat zowel Augustinus als Wittgenstein aanhalen, namelijk dat taal aanleren geen vorm van onderricht is maar echt een africhten, een conditionering.
KV: Een ander belangrijk element in je oeuvre is het concept taal. Het lijkt haast of je een soort van onderzoek voert naar de positie van taal binnen migratie. Taal koestert en stoot af, taal als thuis en als vijandelijk milieu.
MG: Dit heeft zeker te maken met de ervaring van het opgroeien in twee talen, het Armeens en het Nederlands. Daarnaast gebruiken mijn ouders ook nog een derde taal, het Arabisch, als geheime taal. Wanneer wij, de kinderen iets niet mogen horen, schakelen ze over naar het Arabisch. Daarmee creëer je natuurlijk onmiddellijk het gevoel van in- en uitsluiting. Als je iemand wil stigmatiseren als een vreemde, praat dan in zijn bijzijn een taal die hij niet begrijpt, dan verscherp je ongelofelijk het gevoel van ongewenstheid.
KV: De geluidsinstallatie ‘Pararan(Dictionary)’ werkt in die zin zeer afstotend. Via 38 luidsprekers krijg je een zee van woorden over je heen, maar het is een onaangename ervaring om in een ruimte te lopen vol met taal waarvan je niets kan begrijpen, waar je geen enkel houvast hebt.
MG: Ik ben enorm geïnteresseerd in de positie van vreemdeling-vertaler. Als vreemdeling word je steeds gedwongen om vertaler te zijn. Je komt in een positie terecht waar je niet echt meer kan spreken van een moedertaal, noch Nederlands, noch Armeens komen daarvoor in aanmerking en daardoor zit je in feite constant te vertalen. Die positie van vreemdeling-vertaler interesseert me op een poëtische, literaire manier maar tevens ben ik ook aangetrokken tot de maatschappelijk-politieke kant ervan. Een migrant dient zich te assimileren, zowel bij hem thuis als in een bredere maatschappelijke context. Hij dient zijn eigen taal achterwege te laten, maar dat is nu voor mij de meerwaarde. Het accent van de vreemdeling is een sterkte, dat is wat hem nu juist onderscheidt, niet enkel zijn uiterlijk, maar zijn melodie. In ‘Pararan(Dictionary)’ krijg je een omgekeerd proces. De autochtoon voelt zich daar een vreemde, hij ondergaat dezelfde ervaring als een migrant die in een totaal vreemde taalstructuur terechtkomt en zich daarin moet oriënteren. Dat blijkt een lastige en zeer enerverende ervaring te zijn. Het ontmoeten en ontvangen van de vreemdeling, van zijn discours, de vreemde taal blijkt ongemakkelijk voor de autochtoon. Ik vind luisteren naar een taal die ik niet versta een bijzondere en verrijkende ervaring.
De breuk is het noodlot van de vreemdeling. Hij heeft definitief iets achter zich gelaten. Hij kiest niet voor die breuk, ze is het gevolg van vaak gedwongen handelingen en daar moet men zich aan aanpassen. Door het migratieproces komt er onvermijdelijk een breuk met de tradities in je oorspronkelijk milieu, met je taal en met je geschiedenis. Dat roept enorm veel vragen op: vergeten, verliezen, verhuizen, verraden, de verdamping, verbrokkeling- van identiteit, taal, familie, cultuur, geschiedenis. Het uitdoven van traditie. Het verdwijnen van een beeld. Ballingschap maakt een kadaver van het oude lichaam, van de oude taal. Wat is taal, wat is spreken, wanneer de taal en de stemmen die deze voeden aan het uitdoven zijn? Wat is het beeld dat overblijft van het land dat werd verlaten, na een heel leven in een nieuw land? Dan is er een nieuwe context, een nieuwe geschiedenis, hoe werkt dat dan. Is dat dan een nieuwe geschiedenis? Wat gebeurt er met die oude?
Het omgaan met die breuk en de vertaling daarvan in taal is voor mij uiterst intrigerend. Het gaat over wonen in klanken, in samenhangen die geen binding meer hebben met wat het lichaam zich
’s nachts herinnert. Ik praat Nederlands met mijn broer. De tweedegeneratiemigranten praten Nederlands onder elkaar. Ik praat dan niet mijn moedertaal, maar een vreemde taal met mijn broer. De afwezigheid van een taal; ik praat uit gewoonte Nederlands. Van taal wisselen staat gelijk aan het verliezen, het verraden enz. van de landstaal, de groepstaal, de moedertaal. Vanuit deze gebrokenheid lijken het oude en het nieuwe, de oorspronkelijke familie en de nieuwe gemeenschap, beide even aantrekkelijk als problematisch: aan vragen komt geen einde, de onrust is niet tot bedaren te brengen.
De geluidsinstallatie ‘Library’ is ook voor een deel een vertaling van een uitspraak van mijn moeder ‘Het horen van onze taal is een vreugde voor ons.’ Het talige wezen van de mens is dat hij de dingen benoemt. Het benoemen van dingen en gebeurtenissen (het spreken) in het Armeens is een vreugde. Zoals Elstir, een personage van Proust, de dingen herschept door ze hun naam te ontnemen of ze een andere naam te geven, zo herschept ook het Armeens de werkelijkheid. Het Nederlands kent niet de lexicale ambivalenties en de meervoudige, vaak niet te bepalen betekenissen van het Armeense idioom, dat onvoldoende vertrouwd is met het cartesianisme, en waarin het gebed van het hart en de duisternis der zinnen meevibreren. Visueel betekent het Armeens ook een andere weergave van de werkelijkheid (via taal); een eigen alfabet met achtendertig letters. Dit ben ik niet. Het is mijn moedergeheugen, dat warme kadaver dat nog spreekt, een lichaam in mijn lichaam.
KV: Je plaatst jezelf, via je visueel werk, vaak in een positie die je zou kunnen omschrijven als een non-locatie; de plaats waar je je bevindt wordt enkel gedefinieerd vanuit een externe bevraging. Ga je op dezelfde manier tewerk in de presentatie van je werken?
MG: Vaak presenteer ik mijn werken in ensembles. In een vorige tentoonstelling presenteerde ik de geluidsinstallatie ‘Agheg’ en de video ‘Beirut 1963’ als de twee centrale werken en twee andere werken, de fotoserie ‘Happy when it rains (Selfportrait)’ en de video ‘M. Verdoncklaan’ functioneerden dan als een soort commentaar. Het ene werk bevraagt het andere. De keuze die ik daarbij maak is afhankelijk van de soort presentatie. Soms kan het best zijn dat die keuzes omgedraaid worden. De werken verwijzen naar elkaar - niet alleen visueel, maar ook intellectueel.
KV: Deze non-locatie, de afwezigheid van een gedefinieerd uitgangspunt is ook de inhoud van het videowerk ‘L'Etranger’, waarin je een persoon plaatst in een compleet nihilistische situatie waarbij hij geen enkele referentie meer wil overhouden?
MG: De mens vraagt het dier wel eens: waarom vertel je me niet over je geluk en kijk je me alleen maar aan? Het dier wil antwoorden en zeggen: dat komt doordat ik altijd meteen vergeet wat ik wilde zeggen – maar toen vergat het ook dit antwoord alweer en zweeg: zodat de mens zich erover verwonderde. Hij verwonderde zich echter ook over zichzelf: dat hij niet kon leren te vergeten en aldoor aan het voorbije bleef hechten: hij mag nog zo ver, nog zo snel weglopen, de ketting loopt mee. Het is een wonder: het moment, vliegensvlug aanwezig, vliegensvlug voorbij, ervóór een niets, erna een niets, komt toch nog als spook terug en verstoort de rust van een later moment.
Voortdurend laat er een blad los uit de rol van tijd, valt eruit, fladdert weg – en fladdert plotseling weer terug, in de schoot van de mens. Dan zegt de mens ‘ik herinner mij’ en benijdt het dier, dat onmiddellijk vergeet en ieder moment werkelijk ziet sterven, in nevels en duisternis verzinken en voor altijd uitdoven.
In dit tekstje van Baudelaire geeft een man toe geen bindingen meer te hebben, geen geheugen, geen verlangen, maar die staat van zijn is onmogelijk in te nemen. Wat voorbij is, is nooit voorbij, maar een spook, het blijft terugkomen en de volheid en de rust van het heden verstoren. Daardoor is de mens niet zomaar wat hij is, maar getekend door wat hij niet meer is. Eigen aan het menselijke leven is dat het op zichzelf terugkomt, moet terugkomen omdat een mens nu eenmaal door zijn ‘geweest-zijn’ wordt achternagezeten.